Gustav-Adolf Mossa (1883-1971) wordt vandaag beschouwd als de laatste symbolistische schilder. Zijn werk vond reeds erkenning voor de Eerste Wereldoorlog, maar werd nadien door de kunstenaar zelf geheim gehouden.
Mossa woonde zijn hele leven in Nice. In 1926 werd hij er aangesteld als conservator van het Museum van Schone Kunsten van de stad, een functie die hij met veel toewijding en overgave uitoefende. Zijn symbolistisch en duivels aandoend œuvre werd al die tijd verborgen gehouden. Pas na zijn dood in 1971 werd het ontdekt in het magazijn.
Net als bij Gustave Moreau is het symbolistische oeuvre van Mossa doordrongen van literaire verwijzingen. Mossa geeft in zijn werken een nieuwe betekenis aan bepaalde sleutelteksten van de Westerse cultuur, waarbij een bijzondere fascinatie aan de dag legt voor het lot van literaire figuren die verderf en verval in zich dragen, zoals Judith, Dalila, Salomé, Sappho... In tegenstelling tot zijn tijdgenoten vernieuwt Mossa deze figuren door ze in zijn eigen tijd te plaatsen, die van de Belle Epoque. In de kleinste details van zijn werk is te zien hoe Mossa een rijke Art Nouveau iconografie ontwikkelt, zoals blijkt uit zijn weergave van meubilair, kostuums, juwelen, enz. Hij put ook inspiratie uit de teksten van schrijvers van zijn tijd, Baudelaire, Barbey d'Aurevilly, Gautier, en schrijft zelf gedichten en toneelstukken.
Vrouwen zijn alomtegenwoordig in zijn werk. Mossa stelt de vrouw voor als een femme fatale, of zelfs als een fallische en castrerende vrouw, engelachtig en duivels tezelfdertijd. Mossa onderzoekt in zijn oeuvre zijn eigen onderbewustzijn en beeldt het eeuwige spanningsveld uit tussen levens- en doodsdrang, tussen Eros en Thanatos. Net als bij Félicien Rops worden de werken van Mossa vandaag nog als provocerend ervaren.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakt Mossa gewond in de buurt van Ieper. Het oorlogstrauma zorgt voor een breuklijn in zijn werk, dat nadien nog donkerder en wanhopiger wordt. Tot hij in 1918 zelf een punt zet achter zijn carrière.
De tentoonstelling in het Ropsmuseum bevat een zestigtal werken die afkomstig zijn van openbare musea en privécollecties uit België en het buitenland. Zo zijn er drie werken afkomstig uit de prestigieuze collectie van Anne-Marie Gillion-Crowet, een grote verzamelaarster van Art nouveau en belangrijke muze van René Magritte.
Van 30 januari tot 16 mei in het Musée provincial Félicien Rops, rue Fumal 12, 5000 Namur. Open di-zo van 10u tot 18u.
www.museerops.be